Aanwijzend voornaamwoord  
 

 Dit, Deze
Denne (her) bil er min (schrijftaal) Deze auto is van mij
Den her bog koster 500 kroner (spreektaal) Dit boek kost 500 kronen
Dette (her) glas er rent (schrijftaal) Dit glas is schoon
Har du set det her maleri? (spreektaal) Heb je dit schilderij gezien?

 Deze (meervoud)
Disse (her) biler er mine (schrijftaal) Deze auto's zijn van mij
Har du set de her malerier? (spreektaal) Heb je deze schilderijen gezien?

 Die, Dat
Den (der) bil er min   Die auto is van mij
Det (der) glas er rent   Dat glas is schoon

 Die (meervoud)
De der biler er mine   Die auto's zijn van mij
Har du set de der malerier?   Heb je die schilderijen gezien?