Wederkerend voornaamwoord  
 

Het Deens en het Nederlands passen deze vorm op vrijwel dezelfde wijze toe.

Eerste persoon:
 mig/os (Bezie het persoonlijk voornaamwoord als lijdend/meewerkend voorwerp)
Jeg vasker mig Ik was mij
Vi skynder os Wij haasten ons
 
Tweede persoon:
 dig/jer (Bezie het persoonlijk voornaamwoord als lijdend/meewerkend voorwerp)
Keder du dig? Verveel jij je?
I bekymrer jer for meget Jullie maken je te veel zorgen
 
Derde persoon:
 sig (Niet te verwarren met het bijzondere bezittelijk voornaamwoord)
Han har forandret sig Hij is veranderd (Hij heeft zichzelf veranderd)
Hun klæder sig Zij kleedt zich aan
Det løser sig Dat lost zichzelf op
De skærer sig Zij snijden zich (= zichzelf)
 
Zie wederkerende werkwoorden