Hoe gaat het ermee?  


Gaat het goed [met je]?
Hoe gaat het met je? (Hoe heb je het?)
Hoe gaat het? (Wat dan?)
 
Het gaat goed
Het gaat niet zo goed
Met mij OK. (Het gaat OK)
Met mij gaat het prima. (Het gaat fijn)
Uitstekend
 
En met jou? (Wat met jou?)