Danish Grammar
Back

Deense grammatica

(Door op de blauwe en oranje Deense tekst te klikken, hoor je de uitspraak)

Zelfstandige naamwoorden (dingen)
Geslacht
Lijst met onzijdige zelfstandige naamwoorden (et-woorden)
Het onbepaalde lidwoord (een boek)
Het bepaalde lidwoord (het boek)
Onbepaald meervoud (boeken)
Bepaald meervoud (de boeken)
Woorden zonder meervoud
Onregelmatig meervoud
Stofnamen (melk, suiker etc.)
De bezittelijke vorm (oma's huis, vader's schoenen)
Samenstellingen (bibliotheek + boek)
Lijst met zelfstandige naamwoorden
 
Werkwoorden (handeling)
Infinitief: het hele werkwoord (doen, lopen, zeggen)
De tegenwoordige tijd (Ik doe, Hij loopt, Wij zeggen)
De verleden tijd (Ik deed, Hij liep)
Het voltooid deelwoord (gedaan, gelopen, gezegd)
De voltooid tegenwoordige tijd (Ik heb gelopen, Hij heeft gezegd)
De voltooid verleden tijd (Ik had gelopen, Hij had gezegd)
Het onvoltooid deelwoord (lopend, pratend)
Modale hulpwerkwoorden (moeten, kunnen, zullen, lijken etc.)
Werkwoord met wederkerend voornaamwoord
De lijdende vorm (Goud wordt gevonden in Zuid-Afrika)
Werkwoorden eindigend op s
De gebiedende wijs (Sluit de deur, Ga weg)
De toekomende tijd
Werkwoorden met meer dan één betekenis
Werkwoordelijke uitdrukkingen (erin trappen, eruitzien etc.)
Lijst met werkwoorden
 
Voornaamwoorden
Tabel Persoonlijke voornaamwoorden
Persoonlijk voornaamwoord (Ik - mij, hij - hem, zij - haar)
Bezittelijk voornaamwoord (mijn auto, het is de mijne, ...)
Wederkerend voornaamwoord (mijzelf, hemzelf, zichzelf, ...)
Der vs. Det (daar, dat/het)
Vragend voornaamwoord (wie, wat, waarom, ...)
Betrekkelijk voornaamwoord (De man die werkte...)
Aanwijzend voornaamwoord (dit, dat, deze, die)
Onbepaald voornaamwoord
Veel, vele (meget, mange)
Sommige, enige, iets (noget, nogen, nogle)
 
Bijvoeglijk naamwoord (een kleine auto, een ronde tafel, . . .)
De 3 vormen
Met bepaald lidwoord (de rode auto, de natte kleren, ...)
Onregelmatige bijvoeglijke naamwoorden
Trappen van vergelijking (snel, sneller, snelst)
Lijst met bijvoeglijke naamwoorden
 
Bijwoorden (zij zingt mooi)
Bijwoorden
Bijwoord van plaats: lange en korte vorm
 
Zinsbouw (woordschikking)
Basis zinsvorm (Hij schrijft een ansichtkaart)
Ontkenning (Hij leert niet Deens)
Met een bijwoordelijke bepaling (Hij schrijft altijd ansichtkaarten)
Met modaal hulpwerkwoord (Hij zou een ansichtkaart moeten schrijven)
(On-)voltooid verleden tijd (Hij heeft/had een ansichtkaart geschreven)
Meewerkend voorwerp (Hij schrijft mij een ansichtkaart)
Met voorzetsel (Je kunt er op schrijven)
til + meewerkend voorwerp (Hij schrijft een ansichtkaart aan mij)
Bijwoordelijke bepaling aan het eind (Hij gaat op vakantie morgen)
Hoofd- en bijzinnen
Inversie
 
Morphologie (vormleer)
Polysemantisch woord (woord met meerdere betekenissen)
Homoniem (gelijkluidend woord met afwijkende betekenis)
Homofoon (klinkt identiek, andere woordsoort)
Misleidingen (lijken op andere woorden maar met afwijkende betekenis)
 
Diversen
Voegwoorden (en, maar, of, omdat, ...)
Bijzondere voegwoorden (hvornår, når, da)
Voorzetsels
Bijzondere woordjes
Tijd (tijdsduur, frequentie en moment)