| Zelfstandige naamwoorden (dingen) | |
| Geslacht |
| Lijst met onzijdige zelfstandige naamwoorden (et-woorden) |
| Het onbepaalde lidwoord (een boek) |
| Het bepaalde lidwoord (het boek) |
| Onbepaald meervoud (boeken) |
| Bepaald meervoud (de boeken) |
| Woorden zonder meervoud |
| Onregelmatig meervoud |
| Stofnamen (melk, suiker etc.) |
| De bezittelijke vorm (oma's huis, vader's schoenen) |
| Samenstellingen (bibliotheek + boek) |
|
| |
|
| Infinitief: het hele werkwoord (doen, lopen, zeggen) |
| De tegenwoordige tijd (Ik doe, Hij loopt, Wij zeggen) |
| De verleden tijd (Ik deed, Hij liep) |
| Het voltooid deelwoord (gedaan, gelopen, gezegd) |
| De voltooid tegenwoordige tijd (Ik heb gelopen, Hij heeft gezegd) |
| De voltooid verleden tijd (Ik had gelopen, Hij had gezegd) |
| Het onvoltooid deelwoord (lopend, pratend) |
| Modale hulpwerkwoorden (moeten, kunnen, zullen, lijken etc.) |
| Werkwoord met wederkerend voornaamwoord |
| De lijdende vorm (Goud wordt gevonden in Zuid-Afrika) |
| Werkwoorden eindigend op s |
| De gebiedende wijs (Sluit de deur, Ga weg) |
| De toekomende tijd |
| Werkwoorden met meer dan één betekenis |
| Werkwoordelijke uitdrukkingen (erin trappen, eruitzien etc.) |
|
| |
|
| Tabel Persoonlijke voornaamwoorden |
| Persoonlijk voornaamwoord (Ik - mij, hij - hem, zij - haar) |
| Bezittelijk voornaamwoord (mijn auto, het is de mijne, ...) |
| Wederkerend voornaamwoord (mijzelf, hemzelf, zichzelf, ...) |
| Der vs. Det (daar, dat/het) |
| Vragend voornaamwoord (wie, wat, waarom, ...) |
| Betrekkelijk voornaamwoord (De man die werkte...) |
| Aanwijzend voornaamwoord (dit, dat, deze, die) |
| Onbepaald voornaamwoord |
| Veel, vele (meget, mange) |
| Sommige, enige, iets (noget, nogen, nogle) |
| |
| Bijvoeglijk naamwoord (een kleine auto, een ronde tafel, . . .) | |
| De 3 vormen |
| Met bepaald lidwoord (de rode auto, de natte kleren, ...) |
| Onregelmatige bijvoeglijke naamwoorden |
| Trappen van vergelijking (snel, sneller, snelst) |
|
| |
| Bijwoorden (zij zingt mooi) | |
| Bijwoorden |
| Bijwoord van plaats: lange en korte vorm |
| |
| Zinsbouw (woordschikking) | |
| Basis zinsvorm (Hij schrijft een ansichtkaart) |
| Ontkenning (Hij leert niet Deens) |
| Met een bijwoordelijke bepaling (Hij schrijft altijd ansichtkaarten) |
| Met modaal hulpwerkwoord (Hij zou een ansichtkaart moeten schrijven) |
| (On-)voltooid verleden tijd (Hij heeft/had een ansichtkaart geschreven) |
| Meewerkend voorwerp (Hij schrijft mij een ansichtkaart) |
| Met voorzetsel (Je kunt er op schrijven) |
| til + meewerkend voorwerp (Hij schrijft een ansichtkaart aan mij) |
| Bijwoordelijke bepaling aan het eind (Hij gaat op vakantie morgen) |
| Hoofd- en bijzinnen |
| Inversie |
| |
|
| Polysemantisch woord (woord met meerdere betekenissen) |
| Homoniem (gelijkluidend woord met afwijkende betekenis) |
| Homofoon (klinkt identiek, andere woordsoort) |
| Misleidingen (lijken op andere woorden maar met afwijkende betekenis) |
| |
|
| Voegwoorden (en, maar, of, omdat, ...) |
| Bijzondere voegwoorden (hvornår, når, da) |
| Voorzetsels |
| Bijzondere woordjes |
| Tijd (tijdsduur, frequentie en moment) |
|