| Woorden met meerdere verwante betekenissen |
| spelen | at spille: Een spel, sport of muziekinstrument spelen Jeg spiller fodbold (Ik speel voetbal) |
| | at lege: Kinderen spelen met speelgoed Han leger med sine børn (Hij speelt met zijn kinderen) |
| | |
| verliezen | at tabe: Een spel, gewicht, tijd etc. verliezen Vi tabte spillet (Wij verloren het spel) Wordt ook gebruikt als je per ongeluk iets laat vallen: Han tabte bolden (Hij liet de bal vallen) |
| | at miste: Wanneer je iets kwijtraakt Jeg mistede mine handsker (Ik verloor mijn handschoenen) Ook in de zin van je verstand verliezen, contact verliezen, aandacht verliezen, de controle kwijtraken, je leven verliezen |
| | |
| vragen | at spørge: En vraag stellen, informeren Jeg vil gerne spørge, om du har nogle billetter (Ik zou graag willen vragen of je kaartjes hebt) |
| | at bede (om): Verzoeken of bedelen (ook: bidden) Må jeg bede om nogle frimærker? (Mag ik wat postzegels? Letterlijk: Mag ik verzoeken om enkele postzegels?) Må jeg bede dig om et stykke brød? (Mag ik een stuk brood? Mag ik je verzoeken om een stuk brood?) |
| | |
| sparen | at spare: Geld sparen, ontzien (geen leed aandoen) Jeg sparer op til en ny bil (Ik spaar voor een nieuwe auto) |
| | at gemme: Oppotten, opslaan Husk at gemme filen (Denk eraan het bestand op te slaan) |
| | |
| ervaren | en erfaring: Ervaring die je door de jaren heen opdoet. Kan ook een ervaring zijn waardoor je iets hebt geleerd, een ondervinding Han har stor erfaring med vilde dyr (Hij heeft veel ervaring met wilde dieren) Erfaring har lært mig meget (Ervaring heeft mij veel geleerd) Ook: Det var en god erfaring for den nye ansatte (Het was een goede ervaring voor de nieuwe werknemer) |
| | en oplevelse: Iets dat je ervaart op een bepaald moment, een belevenis Turen til Tivoli var en dejlig oplevelse (De trip naar Tivoli was een leuke belevenis) |
| | |
| gaan | at gå: Kan zowel gaan als lopen betekenen In het algemeen betekent het 'lopen'. Als je bijvoorbeeld zegt Jeg går til Amsterdam i næste uge, zal een Deen dit opvatten als Ik loop naar Amsterdam volgende week In plaats daarvan zeg je Jeg rejser til Amsterdam i næste uge (Ik reis naar Amsterdam volgende week) Je kunt ook zeggen: Jeg tager til Amsterdam... |
| | |
| groeien | at vokse: groeien Mine kartofler vokser hurtigt. (Mijn aardappelen groeien snel) |
| | at stige: groeien, escaleren Korruption stiger i regeringen (Corruptie groeit in de regering) |
| | |
| besluiten | at beslutte: Wordt gebruikt wanneer een beslissing moet worden genomen of een keuze moet worden gemaakt Jeg kan ikke beslutte om jeg skal have den røde eller den blå (Ik kan niet besluiten of ik de rode of de blauwe moet hebben) |
| | at bestemme: Wordt gebruikt wanneer je iets moet bepalen Chefen bestemmer, hvem der skal fyres (De baas bepaalt wie er ontslagen moet worden) Han er for ung. Han kan ikke selv bestemme (Hij is te jong. Hij kan niet voor zichzelf beslissen) |
| | |
| denken | at tænke: Dit is bewust denken, het hebben van gedachten Jeg tænke på dig hele tiden (Ik denk de hele tijd aan jou) |
| | at tro: At tro betekent ook geloven Jeg tror ikke, han kommer (Ik denk niet dat hij komt) |
| | at synes: Gebruik synes wanneer je het over een mening hebt Jeg synes, du er dejlig (Ik vind je leuk) |
| | Zie tro vs. synes |
| | |
| veranderen | at ændre: Een verandering aanbrengen Jeg ændrede et par ting i din rapport (Ik heb een paar dingen in je rapport veranderd) |
| | at skifte: Wisselen van kleding, mening, plaats, richting, baan, etc. Het ene vervangen door het andere Han skiftede tog i Hellerup (Hij stapte over [op een andere trein] in Hellerup) |
| | at forandre sig: Van vorm veranderen, in iets nieuws of verschillends Du har forandret dig (Je bent veranderd) |
| | at veksle: Wisselen (meestal gaat het over geld) Jeg vekslede mine kroner til dollars (Ik wisselde mijn kronen voor dollars) |
| | |
| verwachten | at forvente: Vooruitlopen op Jeg forventer, at FCK vinder (Ik verwacht dat FCK wint [voetbalclub]) |
| | at vente: Afwachten Jeg venter svar fra dem i dag (Ik verwacht vandaag een antwoord van hen) |
| | |
| werken | at arbejde: Arbeid verrichten Jeg arbejder 30 timer om ugen (Ik werk 30 uur per week) |
| | at fungere: Functioneren Min computer fungerer ikke (Mijn computer werkt niet) |
| | at virke: Hetzelfde als fungere |
| | |
| draaien | at dreje: Draaien, Afslaan in een bepaalde richting Drej til venstre ved krydset (Ga linksaf op de kruising) |
| | at vende: Wenden of keren, naar een nieuwe of tegengestelde richting Vend dig om (Draai je om) Vend om (Keer om) Vend dig mod nord (Draai [jezelf] richting Noord) |
| | |
| falen | at fejle: Het algemene woord voor falen Hun er bange for at fejle (Ze is bang om te falen) |
| | at dumpe: Op school falen, zakken Han dumper matematik hvert år (Hij zakt elk jaar voor wiskunde) |
| | |
| zuigen | at suge: Iets je mond in zuigen, bijvoorbeeld door een rietje |
| | at sutte: Op iets zuigen, bijvoorbeeld snoep |
| | |
| slikken | at synke: Iets doorslikken |
| | at sluge: Iets doorslikken of opschrokken, schransen |
| | |
| lijken | at virke: Geeft de indruk van de spreker over iets of iemand weer Hun virker lidt nervøs (Ze lijkt een beetje zenuwachtig) Det virker lidt underligt (Het lijkt wat vreemd) |
| | at synes: Der synes at være enighed om det (Er lijkt overeenstemming over te zijn) |
| | |
| veilig | tryg: Comfortabel, zeker, niet beangstigend Jeg føler mig tryg hos ham (Ik voel me veilig bij hem) Jeg havde en tryg barndom (Ik had een veilige jeugd) |
| | sikker: Veilig, niet gevaarlijk Min Volvo er meget sikker (Mijn Volvo is erg veilig) |
| | |
| voor | før: Betekent eerder: Jeg har ikke set ham før (Ik heb hem niet eerder gezien) Jeg så ham lige før (Ik zag hem iets eerder [vroeger]) of vroeger: Før var han lærer i Kina (Vroeger was hij leraar in China) |
| | inden: Betekent voordat, eerder (hetzelfde als før hierboven) maar Het moet gaan om 2 afzonderlijke gebeurtenissen: Inden han kom til Danmark, var han lærer i Kina (Voordat hij naar Denemarken kwam, was hij leraar in China) Skal vi spise inden vi ser filmen? (Zullen we wat eten voordat we naar de film gaan?) Jeg så ham inden han blev gift (Ik zag hem voordat hij trouwde) Je kunt niet zeggen Jeg har ikke set ham inden. Er wordt dan een tweede gebeurtenis verwacht (vòòr wat?) In het Nederlands kun je in bepaalde gevallen binnen gebruiken als je voor bedoelt: Jeg skal være færdig inden 24 timer (Ik moet binnen 24 uur gereed zijn [= voordat 24 uur om zijn]) |
| | |
| verschillend | forskellig: In een vergelijking: De sælger flere forskellige slags ost (Ze verkopen meerdere verschillende soorten kaas) |
| | anderledes: Als het afwijkt van de norm. Iets speciaals of buitengewoons Din accent er lidt anderledes (Je accent is een beetje apart) |
| | |
| beide | både: Zowel het ene als het andere: Jeg kan lide både klassisk musik og heavy metal (Ik hou van zowel klassieke muziek als heavy metal) |
| | begge: Beide, twee van hetzelfde: Jeg skal bruge begge hænder til at løfte sækken (Ik heb beide handen nodig om de zak te tillen) |