| Enkele belangrijke begrippen die je over de Deense grammatica moet weten: |
Deense zelfstandige naamwoorden (dingen) kennen twee geslachten, gezamenlijk (= mannelijk/vrouwelijk) en onzijdig: een auto = en bil een huis = et hus Er bestaan wat onduidelijke regels over wanneer en te gebruiken en wanneer et, maar maak je daar niet te veel zorgen over. Zodra je wat meer gewend bent aan het Deens gaat het min of meer als vanzelf. |
de auto = bilen het huis = huset Het achtervoegsel en/et komt in de plaats van het bepaalde lidwoord dat voor het zelfstandig naamwoord zou staan. |
Bezittelijke voornaamwoorden: 1) mijn auto = min bil 2) mijn huis = mit hus 3) mijn auto's/huizen = mine biler/huse |
Bijvoeglijke naamwoorden: 1) een grote auto = en stor bil 2) een groot huis = et stort hus 3a) grote auto's/huizen = store biler/huse 3b1) de/het grote auto/huis = den store bil/hus 3b2) John's grote auto/huis = Johns store bil/hus 3b3) mijn grote auto = min store bil, mijn grote huis = mit store hus Deze veranderingen van voornaamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden wordt verbuiging genoemd. Het Deens kent slechts deze 3 verbuigingen (2 voor geslacht en 1 voor het meervoud en de bepaalde vorm) |
Onderwerp-gezegde: Het Deens heeft slechts één vorm van het werkwoord in de tegenwoordige en één voor de verleden tijd: Ik ben = Jeg er Wij zijn = Vi er Hij is = Han er Ik was = Jeg var Wij waren = Vi var Zij was = Hun var |
Deense vragende zinnen worden op dezelfde manier gevormd als in het Nederlands, zonder gebruik van hulpwerkwoorden: Spreek je Deens? Taler du dansk? Heb je kinderen? Har du børn? Heeft hij een hond? Har han en hund? Rook jij? Ryger du? Zag je hem? Så du ham? |